Enkele jaren geleden las ik ‘Amerikanen lopen niet‘ van Arjen Van Veelen en ik was blown away. Nog nooit had ik een schrijver zo goed een stad, een dorp, een samenleving weten vatten met woorden. Scherp, genuanceerd, met humor en vooral prachtig geschreven.
In dat boek beschreef hij over zijn tijd in Missouri. Nu is hij teruggekeerd naar zijn geboortestad Rotterdam en schreef hij er een boek over. En wat voor een. Wederom vat hij zo goed de tijdsgeest, legt hij wondes open en zoekt hij naar richting in een complexe maatschappij.
In Rotterdam gaat Van Veelen op zoek naar het gezicht van zijn stad. Want wat voor stad is Rotterdam. Een diverse, hippe, moderne stad? Of een havenstad? Een stad van arbeiders en werkmannen? Of een stad van sociale mobiliteit, waar mensen kansen en opportuniteiten zoeken. Het antwoord vindt hij natuurlijk niet, maar die zoektocht is meer dan boeiend.
Van Veelen gaat diep in op de sociale structuren in de stad. Rotterdam neemt veel initiatieven die langs de ene kant de stad willen moderniseren, verfraaien. Maar de andere kant is natuurlijk dat dit ook heel veel mensen uitsluit. Mensen die het niet kunnen veroorloven om te wonen in een nieuwbouwappartement in een hypermoderne woontoren. Sociale woonwijken moeten tegen de grond om plaats te maken voor meer lofts en dure woonhuizen.
Eén toren had mijn speciale belangstelling. Die verrees op een van de laatste stukjes van de kale vlakte waar na de oorlog nog niets nieuws was neergezet. Vlak achter de kubuswoningen, ingeklemd tussen een brug en de kunstacademie aan de Blaak, had een wat naargeestig, duister steegje gelegen met een grasveldje vol hondenpoep. Ik was er dagelijks langsgefietst tot er op een dag ook hier een bouwbord verscheen. ‘This is OurDomain’, stond er naast foto’s van glimlachende jonge mensen in allerlei kleuren. Er verrees een kleine toren van vierentwintig etages met zeshonderd woningen. Met een sky lounge, een rooftop gym, een game room. De woontoren kwam op ‘het enige kavel dat sinds het Duitse bombardement van 14 mei 1940 nog niet was herbouwd’, las ik op een architectuurwebsite. ‘OurDomain is daarmee de sluitsteen van de wederopbouw.’ Bij wijze van historische verwijzing zou de gevel versierd worden met een patroon dat verwees naar het bombardement. OurDomain was een ‘woonmerk’ van de Amerikaanse vastgoedontwikkelaar Greystar. Greystar had vestigingen van Parijs tot Shanghai en beheerde meer dan 600.000 ‘woonunits’. Als kernwaarden noemde het bedrijf: ‘diversity, equality, inclusion, and belonging’. De kale huur van een woning in de OurDomain-toren leek schappelijk: ongeveer 750 euro. Precies onder de grens voor sociale huur, zodat de bewoners aanspraak konden maken op huurtoeslag. Boven op die kale huur kwamen nog wel vaste servicekosten van 200 euro. Eén ruimte van 25 vierkante meter kreeg je daarvoor. OurDomain mikte op young professionals, starters, jonge expats, studenten. Op Yelp, zag ik, kreeg vastgoedbedrijf Greystar een recensie van gemiddeld één ster. Op Google en Trustpilot was de score niet veel beter. Ik vond een paar Amerikaanse websites die gewijd waren aan getuigenissen van ‘Greystar-overlevers’. De woorden van één recensent vatten de ervaringen van velen samen: ‘DO NOT LIVE ANYWHERE RUN BY GREYSTAR: THEY WILL RUIN YOUR LIFE’. Toen de toren eenmaal was opgeleverd, bracht ik een bezoek. Bij het raam in de entree stond een ingelijst gedicht van Jules Deelder (‘De omgeving / van de mens / is de medemens’); er was een concertpiano, er hingen blokken aan de muur die containers voorstelden.
De property operations manager, die niet bij naam genoemd wilde worden, ontving me bij een receptie. We namen de lift naar de sky lounge. Onderweg groette de manager de schoonmaakster, van wie hij de naam kende. Om hier een community te smeden, organiseerde hij bierproeverijen, mindfulnesslessen, zumbacursussen. Er waren een bar, een muziekruimte, een dakterras met ligstoelen en een overdekt keukenblok. De eenpersoonsunits telden inderdaad 25 vierkante meter, iets minder vloeroppervlak dan de meestgebruikte zeecontainers van 40 voet, maar wel met prachtig uitzicht. Toen de manager vroeg of ik er zou willen wonen, kon ik niet anders zeggen dan: waarom niet? Maar ik zat met een vraag in mijn maag. De toren was niet voor iedereen toegankelijk, had de lokale nieuwszender OPEN Rotterdam ontdekt. OurDomain stelde als harde eis dat huurders in het bezit waren van een hogeronderwijsdiploma of ingeschreven stonden aan een hogeschool of universiteit. De doorsnee timmerman of thuiszorgmedewerker kwam er niet in. Juridisch gezien deed OurDomain niets verkeerd. De Rotterdamse wethouder Bas Kurvers had de toren van OurDomain zelfs genoemd als voorbeeld van hoe commerciële partijen ook heel goed betaalbare woningen konden realiseren. Na de rondleiding bood de manager me een drankje aan in een bar aan de voet van de toren. Ik vroeg hem waarom niet iedereen in het woonmerk mocht wonen. ‘Je bent op zoek naar mensen in dezelfde levensfase’, zei hij. ‘We willen hier een community van gelijkgestemden creëren.’ Diploma’s en geld waren nu de toegangstickets tot de stad. De ‘diversity, equality, inclusion, and belonging’ uit de kernwaarden betekenden het tegenovergestelde: de toren sloot bijna 70 procent van de Rotterdamse bevolking uit.
Deze toren leek me inderdaad de apotheose van het bombardement, de bom onder de stad: Rotterdam, óns domein. En niet dat van jou. Op 14 mei, de dag dat Rotterdam het bombardement herdacht, werden op de gevel van de net opgeleverde OurDomain-toren alle namen geprojecteerd van de 805 burgerslachtoffers die bij het bombardement op de binnenstad waren gevallen. De namenlijst stond ook op de website van het stadsarchief, met daarachter de beroepen die de binnenstadsbewoners hadden uitgeoefend.
Monteur. HavenarbeiderNaaister. Bloemist. Fabrieksarbeidster. Kelner. Dienstbode. Elektricien.
Rotterdammers die, als ze nog geleefd hadden, in de toren niet welkom waren geweest.
Rotterdam is een havenstad en dus kan Van Veelen er ook niet langs om daar vele uren te bestedenen over te schrijven. Zo schrijft hij over de natuur die moest verdwijnen om de haven altijd maar groter te maken. Hoe efficiëntie en robots alleen maar leiden tot harder, zwaardere en goedkopere handenarbeid. Of hoe de uitvinding van de container tot zoveel meer geleid heeft dan enkel een makkelijkere manier van transporteren.
Containers verplaatsten dus niet alleen spullen, ze verplaatsten op den duur ook de fabrieken waar die spullen werden gemaakt. De schoenenfabrieken verdwenen uit het Westen en gingen naar Azië, waar er dankzij de nieuwe banen een middenklasse groeide. In de VS zouden veel fabrieksbanen verdwijnen, wat later weer een van de oorzaken van de opkomst van het populisme zou zijn. Kort door de bocht: zonder containers geen Trump.
Niet lang na Van Veelens zijn verhuis naar Rotterdam slaat corona toe en krijgt de stad te maken rellen. Jongeren protesteren tegen de avondklok en de corona-maatregelen. Maar Rotterdam slaat hard terug en wil de jongeren, die amok maken, snel en hard veroordelen. Er wordt een ‘snelrechtbank’ opgericht die heel snel de jongeren wil berechten. Van Veelen is het beste als hij met zijn scherpe pen uithaalt. Zoals in deze passage, waarin hij dat snelrecht na de corona-rellen in Rotterdam op de korrel neemt.
Ik had stiekem gehoopt dat er op zijn minst één relschopper zou opstaan en zou zeggen: ‘Edelachtbare, meneer, mevrouw de rechter, ik beken het maar meteen: ik heb inderdaad een steen gegooid naar een politieauto, ik had het nooit moeten doen, het spijt me zeer. Ik kan alleen maar zeggen dat ik het deed uit een al jaren sluimerende onvrede. Onvrede over de chaos bij de jeugdzorg, de bezuinigingen op de psychiatrie en over het plunderen van de stad door Amerikaanse beleggers; onvrede over de groeiende ongelijkheid, de uitbuiting van uitzendbureaus, het steeds weer opduikende racisme bij de politie, het wegbezuinigen van wijkagenten, de kille jacht op bijstandsgezinnen, het faciliteren van belastingontduiking voor multinationals, de torenhoge huizenprijzen, de alsmaar voortjakkerende economie, de toeslagenaffaire, de overheid die niet langer haar eigen burgers hoedt – ik gooide die maandagavond een steen, edelachtbare, naar de liefdeloze geest van de efficiëntie die heel de samenleving ondermijnt, de geest die niet alleen mij in het nauw dreef, maar die u ook voelt, want ook rechters moeten steeds sneller uitspraken doen, alsof “snel” en “recht” zouden samengaan. Ik gooide die steen ook voor u, ja – hoe ongeloofwaardig dat ook moge klinken uit mijn mond. En nogmaals, het spijt me uit de grond van mijn hart.’
Ik vind Van Veelen een uitzonderlijke schrijver. Hij schrijft zo vlot, zo helder maar ook zo scherp, genuanceerd, twijfelend soms.


Plaats een reactie